Posts tonen met het label D66. Alle posts tonen
Posts tonen met het label D66. Alle posts tonen

woensdag 16 december 2015

Kolder discussie

De behandeling van het VN Verdrag voor de rechten van mensen met een handicap mag dan zijn uitgesteld, de urgentie is er niet minder om. Want het duurt nu al 9 jaar en in 2016 zitten we dus al op 10 jaar wachten op ratificering. De discussie die vorige week werd gevoerd is er een die ik verre van zinvol vond, dan ben ik hard maar het is wel zo, waarom nou dat vertel ik graag.

Vorige week, werd er naar aanleiding van het amendement van Otwin van Dijk een langdurige discussie gevoerd over toegankelijkheid. Waarbij het niet ging om de logica van toegankelijke dienstverlening of locatie, maar waar het ging om de kosten die dat met zich meebracht. Het is wederom een discussie over geld, maar nooit hoor je de economische voordelen voorbij komen van de klandizie die mensen met een beperking met zich meebrengen.

Raar uitgangspunt

Het is een raar uitgangspunt, want als toegankelijkheid de norm wordt en mensen met een beperking meer zelfstandigheid kunnen ervaren en daarmee dus ook beter kunnen participeren in de maatschappij, worden zij zelfstandiger. Bij zelfstandigheid hoort ook een baan, een goed inkomen en daarmee meer bestedingsruimte. Dat is hoe simpel het leven werkt, heb je gelijke kansen op werk en is een bedrijf toegankelijk voor je, het OV toegankelijk zodat je op je werk kan komen en de zorg op maat zodat je op je werk kan komen. Dan is er sprake van een gelijkwaardige positie in de maatschappij, met alle voordelen die dit voor de maatschappij oplevert.

Want, en daar lijkt de discussie omheen te draaien, mensen met een beperking zijn consumenten die bedrijven binnen kunnen halen. Een dienstverlener met een ontoegankelijke website is een dief van zijn eigen portemonnee en dat terwijl het slechts een kleine investering is om een website bij onderhoud of herinrichting ook gelijk toegankelijk te maken. Want elke ondernemer laat zijn website met grote regelmaat onderhouden en updaten om aantrekkelijk te blijven, dan kan toegankelijkheid gelijk worden meegenomen en is het geen extra ding maar een stukje marketing.

Wat niet kan, dat hoeft niet 

Wat mij vooral verbaasde was Fleur Agema, die eigenlijk verwoordde wat de gemiddelde architect ook al mist, zij vindt toegankelijkheid in bouwbesluiten onnodig. Een nieuwbouw of verbouw project wat niet aan toegankelijkheid voldoet is zonde van het geld, en toch snapt mevrouw Agema niet dat toegankelijkheid de norm zou moeten zijn omdat het simpelweg logisch zou moeten zijn om elke klant met open armen te kunnen ontvangen. Natuurlijk, niet elk gebouw kan toegankelijk worden gemaakt voor iedereen, maar met een goede reden is dat ook gewoon iets wat wordt geaccepteerd, zeker door de mensen met een beperking zelf.

Gewoon en niet apart

Het blijft hiermee nog steeds om geld draaien, maar niet om de kosten die kunnen worden bespaard omdat mensen zelfstandig in de maatschappij kunnen functioneren, hoeveel geld het scheelt als mensen niet met een busje maar gewoon met het OV kunnen reizen. Hoeveel geld het scheelt als mensen naar hun werk kunnen in plaats van een uitkering te ontvangen en vooral ook hoeveel geld het scheelt als mensen met een beperking zichzelf waardevol voelen en daarmee minder zorg vragen behalve welke ze echt niet zonder kunnen. 

Ja, dat is wat een VN Verdrag met zich mee kan brengen, mensen die volwaardig onderdeel kunnen worden van de maatschappij, waar meedoen de norm wordt en toegankelijkheid geen uitzondering is, maar gewoon gewoon. Dat is een maatschappij waar iedereen waardevol is en economisch een bijdrage kan leveren, hoe klein deze ook is. Daar wil ik leven en daarom wil ik dat de Tweede Kamer volledig instemt met het amendement van Otwin van Dijk. Volledig instemt met het VN Verdrag en geen stukjes selecteert om de kosten, want dat is een kotertermijn visie en dat station zijn we na bijna 10 jaar toch wel gepasseerd? Dus maak nu maar gewoon een einde aan deze kolder discussie, het wordt tijd voor inclusie! 





zondag 14 juni 2015

CAO als politieke speelbal

Voor veel werkenden lijkt de VVD een steeds grotere afstand te nemen tot hun positie, van meer flexibilisering tot zelfs een einde maken aan het ‘algemeen verbindend’ maken van cao’s. Bovendien zou dit de scheiding tussen zekerheiden van de ene kant van de arbeidsmarkt nog verder vergroten, boven de mensen die dus buiten die cao’s zouden vallen. En daarbij kan dat als het aan de VVD ligt dus verder gaan dan ZZP'ers die daar zelf voor 'kiezen.' Op die manier zal de ongelijkheid verder toenemen, de macht van werkgevers vergroot worden en daarmee zal er een definitief einde komen aan de ‘algemene bescherming van werknemers.’

De positie van werknemers staat de laatste tijd vaak in het politieke debat op het programma, want de arbeidsmarkt veranderd en ook de politiek kan daar niet meer omheen. Wat echter wel sterk opvalt is dat de VVD zich in deze discussie de focus legt op de positie van de werkgevers (traditionele achterban) en dat eigenlijk alle andere partijen in het centrum (D66, CDA) zoeken naar een afweging die past bij deze nieuwe arbeidsmarkt.
 

Waar komt de cao vandaan?

De visie van links, die de cao’s graag in al zijn facetten zouden behouden, die is in de veranderende maatschappij niet meer zo logisch. Want in cao’s worden vele zaken ondergebracht die daar van oorsprong niet horen. In de eerste cao uit 1894 werd er voor de diamantbewerkers uit Amsterdam een tariefafspraak vastgesteld. Pas in 1914 kwam de eerste landelijke cao, waar afspraken in stonden over kinderarbeid, werktijden en minimale beloningen. Dit was de omslag naar de arbeidsmarkt zoals we deze nu kennen.

Pas in 1947 kwam de Wet op de AVV, ofwel het algemeen verbindend verklaren van de cao afspraken. Dit instrument, bestaat om werknemers te beschermen die bij bedrijven werken die niet aangesloten zijn bij de werkgeversorganisaties. En is daarmee de schakel die ook deze groep beschermt, want de cao afspraken gelden dan voor de gehele sector. Dit algemeen verbinden verklaren wordt gedaan door de minister van sociale zaken en werkgelegenheid en is daarmee het sluitstuk van de onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers over de arbeidsvoorwaarden.

Verandering hou je niet tegen

Ook robotisering brengt vragen over de
toekomst van de arbeidsmarkt met
zich mee.

We moeten erkennen dat de arbeidsmarkt veranderd, en ik ben er dan ook van overtuigd dat men dit ook op links zeker inziet. De vraag is echter alleen of zij niet, zoals pas gesteld door arbeidsmarktdeskundige
de Beer te laat zijn. Want de arbeidsmarkt veranderd snel, de positie van werknemers wordt steeds onzekerder en daarmee neemt de macht van de werkgevers snel toe. Enerzijds is dit logisch, want deze werkgevers ervaren ook dat hun markten sneller veranderen, andere eisen worden gesteld, digitalisering en robotisering steeds meer vorm krijgen en bovendien dat de conjunctuurwisselingen elkaar snel opvolgen.

Toch hebben ook deze werkgevers baat bij goede afspraken, zij weten dan immers waar ze aan toe zijn en hoe zij om kunnen gaan met de wisselingen die zij ervaren in het ondernemerschap. Daarom zou het misschien goed zijn om, zoals D66 en CDA nu ook al enkele keren benoemd hebben, te kijken naar de inhoud van de cao’s. Want hoort alles er wel in wat er nu in is ondergebracht? Is het niet tijd om bepaalde elementen door te schuiven naar de secondaire arbeidsvoorwaarden waar werkgevers en werknemers samen over kunnen onderhandelen? Want verandering hou je niet tegen, maar goede schoenen moet je nooit weggooien voordat je weet of je van die nieuwe geen blaren krijgt!